De duivel in hem

Gepubliceerd op 24 december 2019 om 15:54

‘Shit, nee, nee, nee… maatje? Hé, maatje? Fuck!’

 

Hij was nooit zo extreem als mij. Hij kon gewoon geen nee zeggen en ik wist dat. Dat maakte van hem de ideale partner om op sociaal aanvaardbare wijze mijn verslaving te onderhouden. Maar heb ik hem te ver gepusht…

 

Een shot dope in de arm is vrij extreem. Gedurende tien minuten heb je die extreme kick. Ik had er ervaring mee, voor hem was het de eerste keer. Nu ligt hij op de grond. Met elke stuiptrekking verstoot hij een slechte beslissing uit zijn verleden die hem tot dit punt heeft gebracht. Zijn lichaam drijft schuimbekkend de duivel uit die ik erin gestoken heb.

 

Het is vijf voor twaalf. Hoe ironisch. Ik doe wat ik kan. Ik bel 112, leg zijn hoofd op mijn schoot en steek een toegeplooide sok in zijn mond. Mag dat wel? Ik weet het niet. Was ik maar naar die EHBO-sessies geweest die de studenten Verpleegkunde onlangs organiseerden. Ik durf niemand om hulp te roepen, de spuit ligt nog naast me.

 

Even komt hij terug bij.

 

‘Hé, buddy, you good?’

 

Nee, hij is terug weg.

 

‘Fuck, nee… Hé, blijf bij me maatje! Shit!’

 

Waar blijft die fucking ambulance. Ik zit hier zeker al tien minuten. De sok helpt niet, het bloed van zijn kapotgebeten tong kleurt het schuim in zijn mond rood.

 

Ik had de shot niet zo zwaar mogen maken.

 

Ik had het al moeten weten toen hij die lichtflitsen zag. Ik dacht gewoon dat hij paranoia was.

 

Ik had nooit in het kamp mogen komen wonen. Het was niet nodig voor mij. Ik wist gewoon dat ik hier mijn verslaving vrij spel zou kunnen geven, zonder controle van mijn ouders… Nu ligt mijn beste maatje in mijn armen te trillen. Mijn schuld.

 

Zou ik toch iemand roepen? Ik moet iemand roepen!

‘Help! Kan iemand mij helpen?! Alsjeblief!’

Niemand komt. Waar is iedereen? Ik hoorde net nog stemmen. Waar zijn ze gebleven?

 

Fuck! Ik kan niet weggaan, maar ik kan hem ook niet hier laten. Het is nu al een kwartier geleden dat ik die ambulance belde.

 

‘Shit, waar blijft die fucking ambulance!’

 

De aanvallen blijven elkaar opvolgen, dit is niet goed. Ik moet iemand zoeken. Eerst  die spuit weg, dan loop ik de tent uit!

 

Buiten adem storm ik een tent binnen:

‘Jullie zijn dokters? Kom, snel! Mijn maat heeft een OD!’

 

Ze zitten rond hem, ik weet niet wat ze doen…

‘Heb je de ambulance al gebeld?’

‘Ja, twintig minuten geleden of zo…’

‘Twintig mi… Shit, die raken er weer niet door. Het is aan ons’

 

‘Ademhaling weg… hartslag ook, this is it! Vaneya, tellen! Eén, twee, drie,…’

 

Ik kijk toe hoe zijn lichaam het opgeeft. Alles ligt nu in de handen van deze studenten, die een laatste poging doen zelf die duivel uit zijn lijf te duwen. De enige stuiptrekkingen die hij nu maakt worden veroorzaakt door de borstcompressies van eerstejaarsstudenten die hun uiterste best doen hun eerste leven te redden.

 

‘Nog eens! Eén, twee, drie,…’

 

Minutenlang.

 

Tot ze stoppen.

 

We zitten allemaal stil rond hem. Ik kan niet praten. Ik kan niet huilen. Vaneya wel, haar tranen vallen op zijn koude handen.

‘Het is ok, het is niet jouw fout, we hebben ons best gedaan’, troosten de anderen haar.

 

Het is vijfentwintig na twaalf. De ambulance is er nog steeds niet…

Mis geen enkel verhaal, volg mij op:

Een verhaal gemist? lees ze hier:


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.